Simone Weil, in alles tot het uiterste
Geschreven door Koen HoltzapffelDienst zondag 1 maart 2026 Simone Weil, in alles tot het uiterste
Voorganger Koen Holtzapffel
Lezingen: Lucas 12: 35-40 en passage uit Brief aan een kloosterling
Gemeente, de Pools-Belgische filosofe Alicja Gescinska schreef recent een boek over Vrouwen in duistere tijden. Naast Etty Hillesum bespreekt ze ook Simone Weil. Ze begint met een citaat van Hannah Arendt. Vrij vertaald: ‘zelfs in de meest duistere tijden mogen we enige verlichting verwachten. Misschien niet zozeer van theorieën als wel van het soms zwakke licht dat een aantal vrouwen en mannen weet te verspreiden onder alle mogelijke omstandigheden, in de tijd die hen op aarde gegeven is.’ Simone Weil behoort tot die bijzondere categorie mensen die in de meest donkere tijden een opvallend licht verspreiden. Precies daarom inspireert ze nog steeds, ook in onze ongemakkelijke tijden. Zelfs als haar gedachten niet zo makkelijk te doorgronden zijn, net als haar persoonlijkheid.
Vandaag zeg ik iets over haar leven en deel een aantal van haar gedachten die ieder geval mij inspireren. Het is geen lezing, en mijn keuzes zijn subjectief. Ik accentueer haar spirituele ontwikkeling en sta niet stil bij haar minstens zo belangrijke filosofische, sociaal-maatschappelijke en onderwijskundige gedachten en activiteiten. Ook niet bij haar gedachten over het belang van waarden-oriëntatie in het leven. Gelukkig zijn er goede boeken voor wie verder vertrouwd wil raken met Simone Weil en haar gedachtegoed.
Nu eerst heel kort over haar leven: Simone Weil werd in 1909 geboren uit joodse ouders die haar agnostisch opvoedden. Haar vader was chirurg en haar oudere broer werd een eminent wiskundige. Tijdens haar middelbare schooljaren volgde ze lessen bij de bekende Franse filosoof Alain. Als een van de eerste vrouwen behaalde ze in 1931, 22 jaar, haar onderwijsbevoegdheid in de filosofie. Aan de vermaarde Ecole Normale Superieur. Simone Weil doceerde enige jaren filosofie aan meisjeslycea in de provincie. Politiek geïnteresseerd en geëngageerd sympathiseerde ze met revolutionaire bewegingen, maar reeds in 1934 begon ze de idee van een revolutie te kritiseren. Als docent met verlof werkte ze een jaar als fabrieksarbeider in de Franse autofabrieken. In 1936 verbond ze zich met linkse milities om in de Spaanse burgeroorlog te vechtend tegen het oprukkend fascisme. Een brandwond stelde haar spoedig buiten gevecht. In de periode van herstel groeide haar belangstelling voor het christelijk geloof. In 1940, de nazi’s trokken op naar Parijs, week het gezin Weil uit naar Marseille. Daar ontmoette Simone de dominicaan Perrin en de landbouwer-filosoof Thibon. Beiden zouden van groot belang zijn in haar spirituele groei en in de latere publicatie van haar geschriften. In 1942 trok het gezin verder naar New York. Simone keerde vandaar over de van duikboten vergeven oceaan terug naar Londen.
Daar wilde ze zich melden bij het Franse bevrijdingscomité van generaal De Gaulle. Amper 34 jr oud stierf Simone Weil op 24 aug 1943 in een Brits sanatorium aan tbc. Ze had haar eigen gezondheid stelselmatig ondermijnd, mede door haar verlangen solidair te zijn met de misdeelden en onderdrukten in bezet gebied. Ze wilde niet meer voedsel tot zich nemen dan men in bezet gebied kreeg.
In zijn boek over Simone Weil zegt theoloog Frits de Lange dat je op de vraag wie zij was eigenlijk alleen in paradoxen kunt antwoorden:
Ze was een joodse die haar jodendom ontkende, een artsendochter die lak had aan de etiquette van de hogere kringen. Ze was een marxiste die niet meer in de revolutie geloofde, een mystica die niet wilde toetreden tot de katholieke kerk, een vrouw die gloedvol over de liefde schreef maar bang was om aangeraakt te worden. Ze was een asceet die uit solidariteit met de armen niet wilde eten maar wel altijd een Gauloises tussen de lippen had. Tja, wie raakt niet gefascineerd door zo’n vrouw. Generaal De Gaulle vond haar maar vreemd, zo niet gek. Maar Albert Camus, die na de oorlog een eerste tekst van haar uitgaf, noemde haar, zo onconventioneel en excentriek als ze was, de enige grote geest van haar tijd. In alles ging zij tot het uiterste.
Ik concentreer me nu verder op haar spirituele ontwikkeling, om niet te zeggen haar religieuze overgave. Daarbij zij aangetekend dat zij als seculier geschoold filosofe, gepokt en gemazeld in kritisch denken, pas gaandeweg openheid ontwikkelt voor het religieuze aspect van het leven. Over de kerk, zeker als machtsinstituut, blijft Weil kritisch. Geen mens mag het vrije denken ontnomen worden. Dat is voor haar, wars van groepsdenken, onverteerbaar. Toch zal ze steeds vaker met vertegenwoordigers van die kerk in gesprek gaan over haar religieuze gedachten en gevoelens.
En de filosoof Plato, die zij zeer hoog acht, helpt haar om filosofie en religie dichter bij elkaar te brengen. Zowel filosofie als religie hebben weet van verschillende betekenislagen van de werkelijkheid. Alle betekenislagen zijn van goddelijke herkomst en samen te vatten in de woorden zwaartekracht en genade/liefde/licht. De werkelijkheid van de zwaartekracht opent zich voor het verstand. De bovennatuurlijke werkelijkheid van de liefde opent zich voor het spirituele bewustzijn dat opbloeit in meditatieve aandacht. Zoals Pascal al wist: het hart heeft zijn redenen die het verstand niet kent.
Een uitspraak als ‘Jezus is de Zoon van God’ is van totaal andere aard dan de waarheid van een vaststelbaar feit of van een wiskundige stelling. Het is een waarheid van een hogere, bovennatuurlijke orde, ontoegankelijk voor het verstand. Het verstand kan hier alleen erkennen dat de bijzondere realiteit van het bovennatuurlijke bestaat, dat die realiteit het verstandelijk kenbare oneindig overstijgt en dat het verstand, de ratio eerbiedig moet zwijgen als het bovennatuurlijke zich als liefde daadwerkelijk in de ziel manifesteert.
Precies deze plaatsbepaling, deze inkadering van het verstand ten opzichte van religieuze ervaringen brengt me bij Weils drie openbarende, mystieke ervaringen die zo bepalend zijn geweest voor haar spirituele ontwikkeling. In de brief aan een kloosterling, daterend uit 1942, vertelt ze ervan. De eerste openbarende ervaring voltrekt zich tijdens een gezinsvakantie in Portugal. In een klein vissersdorpje vindt een processie plaats ter ere van de plaatselijke heilige. Weil is onder de indruk van de vissersvrouwen die zich met kaarsen in de hand al zingend in een stoet door het dorpje bewegen. Ze is begeesterd door de eenvoud, schoonheid en hartverwarmende treurnis van de gezangen. Wie wel eens in Lourdes is geweest en daar de avondprocessie heeft meegemaakt weet met het hart wat Weil ervaart. Op dat moment beseft ze dat het christendom de religie van eenvoudigen is, van slaven zelfs. Maar dat is voor Weil niet zoals voor Friedrich Nietzsche een veroordeling, maar een geuzennaam. Met die slaven wil Weil solidair zijn, aan hen wil zij haar lot verbinden, met hen wil zij mee-lijden. Juist zij hebben het licht van de eeuwigheid nodig. De tweede openbarende ervaring overkomt Weil na haar mislukte bijdrage aan de Spaanse burgeroorlog. De lente van 1937 verblijft ze in Italië. In Assisi, de plaats van de heilige Fransiscus, dit jaar 800 jaar geleden overleden. In Assisi voelt ze een bovennatuurlijke kracht die haar overmant en dwingt om in een klein 12e eeuws kerkje te knielen voor God. Nooit eerder voelde zij die noodzaak.
Tot slot overkomt de derde mystieke ervaring haar in het benedictijner klooster van Solesmes, bekend om de prachtige sacrale gezangen. Ze komt er in aanraking met de religieuze liefdespoezie van George Herbert die ze als een mantra steeds zal herhalen en de muziek raakt haar als een mokerslag. Ik citeer: ‘In 1938 ben ik tien dagen in Solesmes geweest, waar ik van palmzondag tot de dinsdag na Pasen alle diensten heb gevolgd. Ik had verschrikkelijke hoofdpijn. Ieder geluid deed mij pijn. Toch was ik door een uiterste inspanning van mijn aandacht in staat buiten dit ellendige lichaam te treden, het op zichzelf te laten lijden, alleen gelaten en ineengedrongen in zijn hoekje, en intussen een zuivere en volmaakte vreugde te vinden in de ongekende schoonheid van de muziek en van de teksten. Deze ervaring heeft mij bij benadering beter doen begrijpen dat het mogelijk is vast te houden aan de liefde van God te midden van het ongeluk. Vanzelfsprekend is tijdens deze diensten de gedachte aan het lijden van Christus eens en voor altijd in mijn doorgedrongen.’
In haar mystieke ervaringen neemt voor Weil de Christusfiguur een belangrijke plaats in. Juist ook in zijn lijden. Haar bijzondere gedachten over God laat ik ongenoemd, maar juist omdat we kerkelijk gezien leven in de 40 dagen tijd op weg naar Pasen, onderstreep ik Weils concentratie op Jezus’ lijden dat zij verbindt met het lijden in heel de wereld. Ze voelt zich thuis bij het Kruis, waarin het goede, het ware en het schone op de meest zuivere wijze oplichten. Nog meer dan in Jezus’ opstanding.
Ik citeer: ‘Als het Evangelie met geen woord gerept zou hebben over de verrijzenis van Christus, dan zou het voor mij alleen maar gemakkelijker zijn geweest om te geloven. Het Kruis alleen is voor mij genoeg. Mijn bewijs, mijn werkelijk groot wonder, dat is de volmaakte schoonheid van de Passieverhalen. Jezus is gehoorzaam geworden tot de dood aan het Kruis. Dát is wat me ertoe aanzet te geloven.’
In navolging van Jezus draagt Weil als een Atlas die het hemelgewelf torst al het lijden van de wereld op haar schouders. Ze is er door geobsedeerd en overdonderd en gaat er uiteindelijk aan ten onder.
En toch, ondanks al dat lijden, oorlog, uitbuiting, polarisatie, is Weils boodschap dat wij op een goede manier in het leven staan, geleid door waarden als waarheid, rechtvaardigheid en compassie. Het zijn van buiten aangereikte bovennatuurlijke waarden die kunnen helpen om samen toe te groeien naar een vrediger, eerlijker en schoner samenleving. Maar dan moeten we die waarden wel de aandacht geven die ze verdienen. En dat brengt me nog kort bij dat voor Weil zo belangrijke begrip, aandacht. Aandacht bezit reddende kracht in de wereld, maar toch is het geen activiteit.
Eerder is het zoiets als bewust, actief nietsdoen. Ik citeer:
‘Het is de verwachting, de aandachtige, trouwe en roerloze houding, die uit zichzelf nooit eindigt, en door geen enkele stoot of slag kan worden teniet gedaan. De slaaf, de dienaar uit de gelijkenis die bij de deur luistert om voor de meester open te doen als hij klopt, is er het beste vb van. De slaaf moet bereid zijn liever van honger en uitputting te sterven, dan zijn post te verlaten. Hij moet zelfs zijn hoofd niet verroeren als zijn vrienden roepen, met hem gaan praten of hem een duw geven. Zelfs als men hem zegt dat zijn meester gestorven is, en zelfs als hij dit gelooft, zal hij zich niet verroeren. Al zou men hem vertellen dat zijn meester boos op hem is, en hem bij zijn terugkeer zal slaan, dan nog dient hij onbeweeglijk op zijn post te blijven.’
Zowel in de liefde tot God als in die tot de medemens is aandacht de kern. Ik citeer: ‘De ongelukkigen hebben in deze wereld aan niets zozeer behoefte als aan mensen die aandacht voor hen kunnen opbrengen. Het vermogen aandacht te schenken aan een ongelukkige, is iets zeer zeldzaams. Het is bijna een wonder. Het is een wonder. (…) De volheid van de naastenliefde is eenvoudig het vermogen de naaste te vragen: ‘Waaraan lijdt u?’ Juist omdat het een wonder is kan Weil in een vaak aangehaalde regel stellen: Aandacht is de zeldzaamste en puurste vorm van vrijgevigheid. L’attention est la forme la plus rare et la plus pure de la générosité. Het lijkt me een van de belangrijke boodschappen die Weil voor onze tijd heeft. Een tijd waarin we, overspoeld door informatie, beelden, incidenten en verstrooiing, grote moeite hebben om met stille aandacht bij de ander te zijn. Zoals Weil stelt: de mens heeft warme stilte nodig maar krijgt ijskoud lawaai.
Ten slotte: Weils hang naar het absolute heeft bij haar nooit geleid tot wereldmijding. Integendeel. Een religieuze, spirituele levensvorm ontleent haar waarde alleen aan het licht dat ze werpt op aardse zaken. En dus blijft Weil ook na haar mystieke ervaringen strijden voor een menselijker samenleving waarin geestelijk-morele waarden niet ondergeschikt worden gemaakt aan materieel-economische waarden. Daarin kan zij in al haar radicaliteit voor ons nog steeds een inspirerend voorbeeldfiguur zijn.
Met een laatste citaat: ‘Er zijn drie mysteries in het leven waarvan elk mens, ook de meest doorsnee, min of meer weet heeft. Het eerste is het mysterie van de schoonheid. Het tweede is de manier waarop de zuivere intelligentie doorgrondt hoe de wereld in elkaar zit, evenals haar praktische toepassingen in techniek en arbeid. Het laatste mysterie, dat zijn de lichtpuntjes van rechtvaardigheid, compassie en dankbaarheid die soms oplichten te midden van de hardheid en de ijzeren kou van de tussenmenselijke verhoudingen. Deze drie bovennatuurlijke mysteries van het ware, schone en goede zijn voortdurend present, midden in de menselijke natuur.’ Wie zich daarvan bewust blijft, juist in donkere tijden met veel lijden, eert de bijzondere nagedachtenis van Simone Weil. In alles tot het uiterste. Amen
Lit Simone Weil Brief aan een kloosterling, Wachten op God/Frits de Lange In alles tot het uiterste/Alicja Gecinska Vrouwen in duistere tijden
