Tijd voor poëzie: Drie gedichten om de zomer mee in te gaan dr. Koen Holtzapffel
Geschreven door Koen HoltzapffelVoorganger Koen Holtzapffel mmv Jos van der Kooy (orgel) en Jan Willem van der Kamp (viool)
Gelezen werden: Lieke Marsman ‘God zegt ja tegen mij’; Jane Goodall ‘De Eend’; Elfie Tromp ‘Troost’; Mustafa Stitou ‘Beginselen.
Na gedicht Goodall werd gespeeld: Korte improvisatie viool, beginnend bij de eend uit Peter en de Wolf van Sergej Prokofjev
Na gedicht Tromp: 1e deel elfde sonate Corelli
Na gedicht Stitou: muzikale zinnen n.a.v. de mars uit de film Fanfare van Haanstra waarbij koppige bewoners met zeer vaste beginselen stevig ruziën en er uiteindelijk toch een mooie harmonie ontstaat.
Overdenking
Gemeente, in het boekje Mijn God dat de meesten van u enige tijd geleden ontvingen, wordt gesproken over de zoekende traditie waarin remonstranten staan. Of het nu gaat om God, Jezus, de Geest, onze beginselen van vrijheid en verdraagzaamheid, er is ruimte voor vragen. Het zoekende aspect, de twijfel ook in ons geloven en spreken over geloof, het wordt belangrijk gevonden. In dat verband valt in het boekje de term theo-poezie. Theo-poezie geeft duidelijker dan theo-logie aan waarom het gaat in geloof, in ieder geval in de taal van het geloof. Religieuze taal is niet logisch, is niet verstandelijk, maar eerder dichterlijk, poetisch. Religieuze taal, of het nu gaat om liederen, verhalen, gebeden of preken, heeft met poezie van doen. Het gaat hier niet om helder gedefinieerde logisch-wetenschappelijke taal, maar om beeldende woorden die ervaringen present stellen, een geheimenis omspelen en tegelijk ook iets raadselachtigs houden. Ze verwijzen naar een mysterie en houden ook zelf iets mysterieus.
Daarom zijn gedichten, zeker in remonstrantse diensten belangrijk. Trouwens, ook de liederen die we zingen bezitten vaak poetische kracht en de bijbel zelf bevat poëzie, denk alleen al aan de psalmen. Ook van onze Belijdenis 2006, dit jaar 20 jaar oud, wordt gezegd dat ie poëtische schoonheid uitstraalt. Ja dat ie het geloofsgeheim aanraakt zonder het geheel te ontraadselen. Zo heeft ons geloof ook poëtische taal nodig, dichters naast denkers.
Eva Meijer, zelf dichter en dierenactiviste , verwoordt het als volgt:
‘Mijn leven bestaat uit woorden. Ik ben dichter, het is mijn taak om de woorden te vinden die vangen wat onzichtbaar blijft als je alleen beschrijft. Zinnen te maken die iets laten zien van wat achter de gebeurtenissen van alledag ligt. Ik verzamel woorden zoals een ander stenen verzamelt, omdat ze mooi zijn, omdat ze allemaal anders zijn gevormd door de tijd. En ik gebruik er zoveel mogelijk, want al die woorden zeggen net iets anders over het leven. (…) Als mensen zoeken we al eeuwen, nee, altijd al, naar de kern van het leven, de zin ervan, proberen we het mysterie -dat we bestaan- in kaart te brengen. De taal kan ons daarbij helpen. Juist door woorden die omschrijven, die om de fenomenen heen schrijven.’ (Eva Meijer, Een woord voor, 43, 44)
Vandaar opnieuw, net als voorgaande jaren, richting de zomer een drietal gedichten om mee op stap te gaan of thuis te blijven. Alle drie raken ze aan geloof, zonder dat expliciet te benoemen. Ik zal ze steeds kort toelichten en overdenken, maar hopelijk leest u ze thuis nog eens na en komen er persoonlijke gedachten bij u op.
Ik lees steeds het gedicht, daarna zijn we even stil zodat u ook zelf wat eerste gedachten kunt ontwikkelen. Dan volgen een korte overdenking en een toepasselijke muzikale bijdrage.
Dus: gedicht, stilte, korte overweging, muziek
N.a.v. gedicht Goodall:
Over Jane Goodall, antropologe en biologe, hoef ik u weinig te vertellen. Ze stierf vorig jaar op 91 jarige leeftijd, ze schreef ook een boek over Hoop. U kent haar allemaal van haar onderzoek tientallen jaren naar het leven van chimpansees. Over haar veldwerk in Gombe, Tanzania, schreef ze vele boeken en ze hield er duizenden lezingen over, de wereld rond.
Op de vraag wat schoonheid voor haar betekent antwoordt ze met een gedicht. Alleen in volledige eenzaamheid zegt ze, in het woud van Gombe, is het voor haar mogelijk om deel te worden van de schoonheid om haar heen, om een te worden met het woud. Ze voelt dan het sap opstijgen in de stammen, zo levend zijn ze. In verwondering kijkt ze naar de vormen van de stammen en takken, de patronen en structuren van mossen en varens. Elk blad is anders als je goed kijkt. Ook hoor je dan het ritselen van allerlei schepseltjes: eekhoorns die rond stammen draaien zoals alleen eekhoorns dat doen, insecten die op bloemen neerstrijken, vogels die in het struikgewas rondfladderen en zingen. Het zuchten van de wind. Het is zo ongelooflijk mooi als je er oog voor hebt. Goodall noemt het intense momenten, die altijd iets vluchtigs hebben. Bijzondere momenten die ze poetisch omschrijft als fonkelende edelsteentjes die na een regenbui in een spinnenweb blijven kleven en verdampen als de zon weer schijnt. Je ziet het voor je. Zulke momenten, vaak onverwacht, en ook geestelijk van belang, probeert Goodall te vangen in een gedicht. Zo blijft de herinnering levend en kan ze er ook anderen in laten delen. Dat delen is natuurlijk maar beperkt mogelijk, maar het gedicht nodigt in ieder geval uit om ook zelf goed te kijken, thuis en op reis. Er is meer te zien onderweg dan je vaak denkt. In het woud van Gombe in Tanzania, maar ook midden in de grote stad.
Ook daar vliegen eenden tijdloos langs de zon, scheren rakelings langs ons, doorbreken de stilte van de wereld en nodigen ons uit om de pijn van de vreugde te beleven dat zulke pracht bestaat.
N.a.v. Gedicht Tromp:
Het gedicht verscheen aan het eind van een coronajaar. Als drieluik, samen met gedichten over geloof en liefde. Corona lijkt al weer lang geleden, maar door de verhoren van de onderzoekscommissie van de Tweede Kamer die het coronabeleid evalueert komt die tijd weer even heel dichtbij. De onzekerheid, de eenzaamheid, het verdriet om naasten die niet bezocht konden worden. En tegelijk ook creativiteit om dingen dan maar anders aan te pakken om toch iets voor elkaar te kunnen betekenen, ook in onze kerk.
Het gedicht over troost is ook zelf een uiting van die creativiteit, het wilde mensen iets meegeven aan het eind van een coronajaar. Kan een gedicht, kan een kunstuiting troost bieden, bemoediging geven? Misschien niet veel meer dan een moment van ontroering, een besef van verbondenheid, maar ook dat kan heel waardevol zijn. Het gedicht plaatst trouwens zelf een kritische kanttekening bij het troostende van gedichten. Het ligt er soms net iets te dik bovenop en dan werkt het, hoe goed bedoeld ook, minder goed. Er verschijnen veel boeken over troost, en ze benadrukken allemaal dat je niet te snel moet zijn met troostrijke woorden. Open je eerst echt voor het leed van de ander, luister goed naar wat de ander al dan niet met woorden vertelt.
Tegelijk gaat er van het gedicht wel degelijk een bepaalde troost uit. Het maakt daarbij gebruik van het ons vertrouwde beeld van de kaars. Als je op zondagmorgen dit kerkgebouw betreedt kun je in de hal een waxinelichtje aansteken. Bij een aantal diensten doorheen het jaar steken we tijdens de dienst een lichtje aan en natuurlijk elke dienst bij aanvang de grote kaars. Als teken van aanwezigheid van licht in ons midden, van liefde, van goddelijke kracht. Het aansteken van een kaars verbindt ons met mensen van alle tijden die altijd weer opnieuw een kaars ontstoken in het donker. Met het aansteken van een kaars denken we aan iemand of iets, gedenken we iemand, wensen iemand het goede toe. Het ritueel kan verdrietig maken maar ook troostrijk zijn. In ieder geval maakt het ons stil. Zo zit troost niet altijd in veel, goedbedoelde woorden. Het kan ook zitten in een klein gebaar van betrokkenheid.
Bijna achteloos neemt een hand een jas aan, geeft een schouderklopje, steekt een lichtje aan. Bijna achteloos en toch vol van betekenis. Ja, zo werkt troost: dat je op de drempel van dit gedicht mij kaars ziet schrijven en zo lang als je dit leest de warmte voelt.
N.a.v. Gedicht Stitou
Het langste gedicht deze ochtend is van Mustafa Stitou en je moet het zeker nog eens overlezen. De taalvondsten, de paradoxale beelden buitelen over elkaar heen, je komt als lezer bijna buiten adem aan bij het slot van het gedicht. Je wordt overspoeld. Tegelijk intrigeert het, juist ook door de titel, Beginselen. Remonstranten kennen dat woord, want onze beginselverklaring stelt dat wij een geloofsgemeenschap vormen die geworteld in het evangelie God wil eren en dienen, getrouw aan haar beginselen van vrijheid en verdraagzaamheid. Ja, remonstranten staan voor hun beginselen. Worden ze in het gedicht van Stitou nu bekritiseerd, onderuit gehaald, op hun kop gezet of vervangen door andere, nieuwe beginselen? Wie het weet mag het zeggen.
Misschien wel dat laatste. Oude beginselen worden vervangen door nieuwe, of misschien wel door één allesomvattend beginsel. Het gedicht schetst een omgekeerde wereld waarin je vooral je eigen beginselen niet al te serieus moet nemen en er zeker geen ruzie over moet maken met elkaar. Dat vraagt in ieder geval om vrijheid en verdraagzaamheid. Maar het gedicht heeft zeker ook een bijbelse toon. Want staat de bijbel niet vol van onverwachte omkeringen, bij profeten, bij Jezus en bij Paulus? Van toekomstvisioenen waar wij de wenkbrauwen nog wel eens bij fronsen en opmerken: ach, als dat toch eens waar zou zijn, of, dat kan natuurlijk nooit, geloof jij het?
Laat ik één bijbels visioen noemen, het bekende vredesvisioen van de profeet Jesaja, elfde hoofdstuk, vaak gelezen in de tijd van advent: Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam, een panter vlijt zich bij een bokje neer; kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden. Een koe en een beer grazen samen, hun jongen liggen bijeen. Een leeuw en een rund eten beide stro. Bij het hol van een adder speelt een zuigeling , een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg.
Over poezie gesproken, over idealisme gesproken, met daarbij natuurlijk de kritische vraag: hoe geloofwaardig is dit vredesvisioen als her en der op deze wereld de supersonische rakketten en drones rondvliegen en heel veel slachtoffers maken? Nee realistisch is het niet , maar wel bitter nodig. Visoenen als van Jesaja en Stitou zijn nodig om zicht te houden op waar het ten diepste om gaat, om voor ogen te houden hoe God het eens had bedoeld en hoe het opnieuw zou kunnen zijn. Onze naam in vrede dragen op deze wereld , er voor elkaar zijn, streven naar duurzaam geluk voor allen en echte hoeders van Gods schepping zijn. Ook onze eigen beginselen van vrijheid en verdraagzaamheid zullen daarbij hard nodig zijn. Ook zij zijn weerbarstig genoeg in de praktijk van alledag, bedreigd, maar er is geen haar op ons hoofd dat er aan denkt ze dan maar af te schaffen. Juist als geloofsgemeenschap sta je voor beginselen die soms haaks staan op de werkelijkheid van alledag. Je zingt erover , je denkt erover na en waar mogelijk probeer je ze in de praktijk te brengen. Met mildheid en humor, net als Stitou in zijn visioen. Zijn gedicht raakt ons in het hart en tegelijk raakt het een kern van wat geloven is. Blijven geloven in wat nu nog onmogelijk lijkt, doen wat ondenkbaar is.
Ook de partij van de laatste postzegelverzamelaars
doet het goed. Het Kwaad, vertellen we elkaar,
is teruggelokt de onderwereld in die vervolgens
volgestort is met beton. En het Goede,
het Goede is ons steeds te snel af. In onze groene
en blauwe, bruine en grijze ogen fonkelt non-stop
de onsterfelijke ziel. Pakken melk en potten honing
worden uitgedeeld op straat. Boeddha likt
zijn iPhone schoon. Volksmenners kweken
rozen in parken. De beurs wordt overgenomen
door muzikanten. De god van Abraham lacht het hardst
om de grappen die over hem worden gemaakt. Valse
profeten rukken hun opgeplakte baarden af
vallend jankend travestieten in de armen.
Dat het zo moge zijn, ook waar het die laatste postzegelverzamelaars betreft.
Amen
De gedichten kunt u hier nogmaals nalezen.
